Protocollen

 

Pestprotocol

Wat is plagen en pesten:

We spreken over plagen wanneer leerlingen aan elkaar gewaagd zijn. Het vertoonde gedrag is onschuldig en nodigt uit tot een reactie van een zelfde soort. Het gaat om een spel en er kan gelachen worden om het plagen.

Op Kranenburg hanteren we de regel dat degene die het ondergaat, bepaalt of het vertoonde gedrag, gewenst is of niet meer. In gesprek wordt onderzocht of er sprake is van pesten. Onder pesten verstaan wij dat een leerling herhaaldelijk en langdurig blootstaat aan negatieve handelingen door één of meer personen. Een negatieve handeling betekent dat iemand een ander met opzet schade toebrengt. Dit kan verbaal of fysiek gebeuren maar ook intimideren, isoleren of stelen/vernielen van bezittingen.

 

Doel van het pestprotocol:

Pesten is onaanvaardbaar gedrag en een bedreiging voor de sfeer binnen de school met gevolgen voor het individu. Alle leerlingen en docenten kunnen slachtoffer worden. Pestgedrag moet dan ook door iedereen serieus worden genomen. Het lastige is dat veel pestgedrag zich in het verborgene afspeelt, zodat het moeilijk is er grip op te krijgen. En zelfs als het pestgedrag wordt opgemerkt, weten omstanders niet altijd hoe ze ermee om kunnen gaan.

Docenten en onderwijsondersteunend personeel hebben een taak (samen met de ouders en de leerling zelf) bij het tegengaan van pesten. Leerlingen moeten weten dat ze hulp kunnen krijgen van volwassenen in de school en hierom durven vragen. Volwassenen dienen oog te hebben voor de signalen van leerlingen.

Wij hebben een aantal afspraken geformuleerd voor zowel leerlingen als leerkrachten.

 

Preventieve aanpak:

Om pesten te voorkomen is het van belang dat er een veilig, positief schoolklimaat heerst. Op de Kranenburg doen wij het volgende:

  • Aan het begin van het schooljaar en na alle schoolvakanties wordt er door de mentor(en) extra aandacht besteed aan de groep en het groepsproces. Door het groepsproces op een goede manier te begeleiden, zullen er positieve groepskenmerken ontstaan.  Zie boekje Energizers,  suggesties voor mentoren hoe aan positieve groepsvorming te werken, geschreven door S. Vogels.

 

  • We hanteren de 10 gouden regels zodat leerlingen duidelijk weten wat gewenst – en ongewenst gedrag is binnen de school. De mentor bespreekt aan het begin van het schooljaar deze gouden regels. Deze gouden regels worden door alle leerlingen ondertekend. Ook het onderling plagen en pesten wordt besproken. Hierin wordt benadrukt dat signalen van pesten doorgegeven moeten worden aan de docent en dat dit geen klikken is. Tevens bespreekt de mentor in zijn klas het pestprotocol. Zowel de gouden regels als het pestprotocol zullen gedurende  het schooljaar onder de aandacht worden gebracht door de mentor(en).  

 

  • Tijdens de mentortijd of tijdens andere lessen vinden er geregeld klassengesprekken plaats waarin de mentor(en) de sfeer in de groep peilt en bespreekbaar maakt. De mentor heeft hiervoor informatie nodig van collega-docenten. Docenten informeren elkaar over hun klassen zodat de mentor hiermee aan de slag kan.

 

  • Tijdens de pauzes is er toezicht op de leerlingen door min. 4 docenten. Deze docenten houden actief toezicht. Zij lopen rond, praten met de leerlingen en observeren actief. Leerkrachten zijn betrokken bij de leerlingen. Op deze manier wordt een veilig schoolklimaat bevorderd. Zie afspraken over surveilleren.

 

  • Leerlingbemiddeling wordt ingezet wanneer er sprake is van ruzie tussen leerlingen. De leerlingen worden op die manier verantwoordelijk gemaakt voor elkaars welbevinden. Zie uitleg over leerlingbemiddeling.

 

  • Er wordt aandacht besteed aan sociale vaardigheden waar allerlei thema’s aan bod komen die te maken hebben met omgaan met elkaar. In leerjaar 1 t/m 3 wordt gewerkt met de methode ‘Leefstijl’. In leerjaar 4 wordt de methode ‘Zo werkt het’ gebruikt. Leerlingen leren sociale vaardigheden aan of worden zich hiervan bewust gemaakt. Elk schooljaar krijgen enkele leerlingen een verdiepende, intensieve training om opgeleid te worden tot leerlingbemiddelaar. Er worden ook sociale vaardigheidstrainingen gegeven vanuit Stichting Stade.

 

  • Alle leerlingen hebben elke 3 á 4 weken een individueel gesprek met de mentor(en) waarin ook de groep,  veiligheid op school e.d. ter sprake worden gebracht. Van de gesprekken rond pesten worden notities gemaakt in Magister van zowel de leerling die pest als van de leerling die gepest wordt.

 

  • Minimaal één keer per jaar wordt er een sociogram, middels het Sometics programma, afgenomen in de klas. De resultaten die uit het sociogram komen, worden in het team besproken en waar nodig teruggekoppeld aan de leerling(en).

 

Aanpak wanneer er sprake is van pesten:

De Kranenburg hanteert de Support Group aanpak ontwikkeld door Sue Young. Deze aanpak is ontstaan vanuit oplossingsgericht werken. Deze manier van werken doet een beroep op de zelfkennis en actieve betrokkenheid van een leerling. Daarnaast gaat het uit van wat op dat moment is gericht op de toekomst met als doel een probleem oplossen.

Er wordt bij deze aanpak geen nadruk gelegd op het pesten, maar het gaat om het bevorderen van een positief klimaat in de klas en in de school. Doordat klasgenoten en/of medeleerlingen verantwoordelijk worden gemaakt voor het welbevinden van anderen.

De Support Group aanpak bestaat uit de volgende stappen:

  1. Een gesprek met de leerling die gepest wordt. Het doel van het gesprek is om erachter te komen welke leerlingen er het beste in de Support Group gevraagd kunnen worden. De Support Group bestaat uit:

a)     Leerlingen die de leerling die ondersteuning nodig heeft, lastig vindt (pesters)

b)    Leerlingen die erbij zijn als de leerling het lastig vind (meelopers)

c)     Vrienden van de leerling of leerlingen die de leerling aardig vind

 

In het gesprek wordt niet uitgebreid gevraagd naar de pestsituatie, maar wordt er gevraagd:

a)     Wat vind de leerling leuk op school?

b)    Welke leerlingen vind de leerling lastig?

c)     Wie zijn er nog meer bij als de leerling het lastig heeft?

d)    Wie zijn vrienden van de leerling?

e)     Met welke leerlingen zou de leerling graag vrienden zijn?

Aan zowel de leerling als later aan de ouders wordt uitgelegd hoe het verder zal gaan. Na afloop van het gesprek wordt er een vervolgafspraak gemaakt met de leerling.

 

  1. De Support Group bestaat uit 5 tot 8 leerlingen die gekozen worden uit de namen die de leerling (slachtoffer) heeft genoemd. Het doel van dit gesprek is om de leerlingen te laten weten dat hun hulp nodig is en om hun betrokkenheid te krijgen bij het gelukkiger maken van de leerling dat ondersteuning nodig heeft. De leerlingen in de support group hoeven niet toe te geven dat ze iets fout zouden hebben gedaan of dat ze pesten. In plaats daarvan wordt hun hulp gevraagd en worden hen complimenten en waardering gegeven als ze hulp aanbieden.

 

In het gesprek wordt het volgende besproken:

a)     Leerling X is niet zo gelukkig op school. Ik heb jullie uitgekozen om mee te praten omdat ik denk dat jullie allemaal kunnen helpen om X weer gelukkiger te maken. Willen jullie me helpen?

b)    Heeft iemand een idee, een klein ding dat X kan helpen om zich wat beter te voelen volgende week? Op elk klein idee wordt enthousiast en waarderend gereageerd.

c)     De leerlingen kiezen zelf wat ze willen gaan doen de komende week

d)    Ik spreek jullie graag volgende week zodat jullie me kunnen laten weten wat jullie is gelukt, ok? Ik zie ernaar uit! Veel succes! Jullie ideeën zouden wel eens heel goed kunnen gaan werken.

 

  1. Na één week vindt er een gesprek plaats met de leerling die ondersteuning nodig heeft en wordt er besproken welke verandering er is. Ook vindt er een tweede gesprek plaats met de Support Group om van die leerlingen te horen wat wij hebben gedaan.

 

  1. Afhankelijk van de situatie kunnen er vervolgafspraken gemaakt worden met zowel de leerling als de Support Group.

 

Alternatieve aanpak

Mocht blijken dat de Support Group aanpak niet passend is voor de pestsituatie of weinig resultaat opleveren, dan hanteert de Kranenburg de volgende aanpak.

  1. Indien de docent pesten heeft gesignaleerd,geeft hij duidelijk aan dat hij dergelijk gedrag afkeurt. De docent doet dit door de feiten die gesignaleerd zijn te benoemen en te bespreken. De informatie wordt teruggekoppeld aan de mentor en genoteerd in Magister.
  2. De mentor probeert zicht op de situatie te krijgen door eerst met de gepeste leerling en daarna met de pester apart te praten. Afhankelijk van de situatie, organiseert de mentor een gesprek tussen beide leerlingen en probeert tot goede afspraken te komen. Deze afspraken worden genoteerd in Magister en teruggekoppeld aan de ouders.
  3. De mentor observeert in de klas of hij/zij dingen hoort of ziet. De mentor stelt het team op de hoogte en vraagt hen om tijdelijk scherp te observeren en signaleren.
  4. 4.   Afhankelijk van de pestsituatie, kan de mentor extra aandacht besteden aan pesten door middel van lessen, klassengesprekken en het maken van klassenafspraken over omgang met elkaar.

Mocht blijken dat na het volgen van bovenstaande stappen, niet het gewenste resultaat op levert, dan worden er vervolgstappen ondernomen, dit kunnen zijn:

  • Vertrouwenspersoon inschakelen
  • Zorgcoördinator wordt betrokken
  • Het voeren van oudergesprekken; zowel met de ouders van de pester als het slachtoffer

Mogelijke consequenties van het pestgedrag kunnen zijn;

  • In de pauzes binnen blijven of nablijven
  • Een schrijfstraf
  • Een schriftelijke opdracht uitvoeren
  • Een concreet IOP doel voor de pester over gedragsverandering
  • De pester opgeven voor een training sociale vaardigheden
  • Overplaatsing naar een andere klas
  • Schorsing

Taken binnen de school

Docenten:

De docenten hebben een signalerende rol. Wanneer zij pesten waarnemen of redenen hebben om pesten te vermoeden, wordt er van hen verwacht dat zij hierop adequaat reageren en een melding doen bij de mentor(en) om hulp en overleg in gang te zetten.

Mentoren:

De mentor is het eerste aanspreekpunt voor leerlingen. Hij/zij ondersteunt de leerlingen en adviseert ze. De mentor voert gesprekken met de leerlingen naar aanleiding van de signalen van pesten. De mentor zorgt ervoor dat ouders op de hoogte zijn en legt aan ouders uit welke aanpak school hanteert. De zorgcoördinator wordt ook door de mentor op de hoogte gesteld en in constant overleg wordt besproken welke stappen ondernomen worden of welke deskundigheid ingeschakeld wordt.

Zorgcoördinator:

De zorgcoördinator ondersteund de mentor en bekijkt samen met de mentor welke stappen ondernomen moeten worden. De zorgcoördinator kan, waar nodig, doorverwijzen naar een externe hulpverlener of instantie.

 

Vertrouwenspersoon:

De vertrouwenspersoon begeleidt de mentor in zijn of haar proces naar de oplossing van de klacht.

Op vrijwillige basis biedt zij zowel de gepeste als de pester begeleiding of verwijst hen voor individuele begeleiding naar externe hulpverlening

 

Het hierboven weergegeven stappenplan is een algemene leidraad; als een interventie succes heeft, kunnen vervolgstappen achterwege blijven. Het is geen automatisme. Per leerling wordt gekeken welke maatregelen het meest passend zijn.